Lang geleden, in de vroege jaren ’50, net na de onafhankelijkheid van Indonesië, leefde in een klein dorp op Java een vrouw die bekend stond als Iboe Sri. Haar handen waren getaand door de zon en het werk, maar wat ze aanraakte veranderde in goud – vooral als het om eten ging. Iboe Sri was geen gewone vrouw. Ze was een meesteres van de keuken, bewaarder van eeuwenoude familierecepten die van moeder op dochter waren overgeleverd.

Elke zondagochtend wandelde ze naar de pasar, de markt, waar ze vis uit de rivier kocht – vers, nog glinsterend van het water. Ze wist precies welke vis geschikt was voor welk gerecht: de stevige ikan gabus voor op de grill, de zachte ikan lele voor in de sambalpedis, en de zilveren ikan teri voor haar beroemde zoet-zoute bijgerecht.

Met geduld en eerbied reinigde ze de vis, wreef hem in met asem, verse kurkuma en een geheime boemboe die alleen zij kende. Haar kinderen zaten op de houten vloer, de geur van gebakken knoflook en kemirienoten hing als een belofte in de lucht.

“Deze vis is niet zomaar eten,” zei ze altijd. “Hij is gemaakt met cinta, liefde. En liefde moet je proeven.”
Haar recepten reisden met haar familie mee, toen velen, inclusief haar oudste zoon, besloten naar Nederland te vertrekken. In de jaren ’60 vond je in Rotterdam en Den Haag ineens vis die smaakte naar de kampung van vroeger. Het rook naar pandanbladeren, naar houtvuur, naar thuis. Het was Iboe’s vis – doorgegeven, niet vergeten.

Tot op de dag van vandaag leeft haar geest voort in elke pan waar sambal sist, in elke vis die wordt ingewreven met liefde, en in elk gerecht waarbij iemand zegt:
“Deze smaakt precies zoals Iboe ‘m vroeger maakte.”

Naar alle verhalen