De avond valt langzaam over het dorp, en langs de kant van de weg beginnen de kolen te gloeien. In het schemerlicht verschijnt een klein satéstalletje, niets meer dan een houten kar met een metalen grill, een paar plastic stoeltjes en de onweerstaanbare geur van houtskool en gemarineerd vlees.
De verkoper; een man met een brede glimlach en een door rook getekend gezicht – rijgt met vaste hand stukjes kip aan bamboestokjes. Terwijl hij ze boven het vuur draait, sist het vet op de hete kolen en vult de lucht zich met de geur van sojasaus, knoflook, koriander en een vleugje limoen.
“Sepuluh tusuk, pedas sedikit,” zeg je, tien stokjes, een beetje pittig. Hij knikt en schuift de stokjes langzaam over de grill, telkens omdraaiend, met liefde en precisie. Ondertussen warmt hij een pannetje pindasaus op: dik, romig, lichtzoet met een scherpe ondertoon van rode peper.
Als je bord komt, dampende saté overgoten met saus, plakjes lontong (samengeperste rijst), komkommer en gebakken uitjes, weet je dat je goed zit. Je neemt een hap. Het vlees is mals, de saus perfect in balans, en het geheel smelt bijna op je tong.
Rondom hoor je het zachte geroezemoes van mensen, het knetteren van het vuur, het leven van de straat. En terwijl je de laatste satéstokjes wegwerkt, besef je dat het geluk soms gewoon op een plastic stoeltje zit, aan de rand van een drukke weg, met een bord vol warme herinneringen.




