Wanneer de eerste regens vallen en de velden zich vullen met water, begint op het platteland van Indonesië een eeuwenoud ritueel: het planten van rijstplantjes, ofwel "menanam padi."
Bij zonsopgang trekken de boeren, vaak in groepen en met opgerolde broeken, de glinsterende sawa’s in. Met hun voeten wegzakkend in de zachte, modderige grond, dragen ze bundeltjes jonge rijstplantjes, zorgvuldig gekweekt in zaaibedden. In een ritmisch patroon, soms begeleid door gezang of grapjes, buigen ze zich telkens voorover om de tere plantjes één voor één in de modder te steken.
Het werk is zwaar, de zon wordt al snel genadeloos fel, maar er hangt iets vreedzaams over het tafereel. Er is trots, samenwerking, en het besef dat hier, met elke geplante scheut, leven wordt gezaaid. Niet alleen voor henzelf, maar voor hele dorpen.
Weken later zullen de velden veranderen in een zee van groen, wuivend in de wind, een belofte van overvloed. En als de oogst komt, herinnert elke korrel rijst aan dat ene moment, vroeg in de ochtend, toen alles begon met natte voeten, gebogen ruggen en hoop.




